Er hing een snottebel aan zijn rode neusje. Een wollen muts zakte scheef over zijn oren en twee schaatsjes slingerden op zijn rug. Het waren vast nog oude friese doorlopertjes. Op zulke schaatsjes had ik het ook geleerd.
Het jongetje snikte.
Ik stond er even bij stil.
‘Wat is er aan de hand?’
‘KOUD!’ huilde hij.
‘Ja dat is waar. Het vriest nog een beetje.’
‘KOUD!’ brulde het mannetje nogmaals,
terwijl hij dikke tranen plengde.
Ik pakte zijn rode handjes om ze warm te wrijven.
Ooit had een oude mevrouw dat vroeger bij mij gedaan toen ik zulke koude handjes had. Dat wist ik nog.
‘Weet je wat je kunt doen om zelf warm te worden?’
Ik sloeg met mijn armen van voren en naar achteren. Zoefzoefzoef.
‘Doe mij maar na.’
‘KOU-OU-OUD!’
‘Doe het maar. Kom op.
Zo doen bouwvakkers het ook.’
‘Zó?’
Zoefzoefzoef.
‘Ja en nu even blazen.’
Het jongetje blies. Ik veegde met zijn muts de traantjes van zijn wangen. ‘Stel je voor, straks bevriezen ze nog.’ Een klein lachje.
Ik keek hem na. Het jongetje met zijn schaatsjes. Op weg naar huis.